I Capuleti e i Montecchi
Voorstellingsinformatie
Voorstellingsinformatie
Voorstellingsinformatie
I Capuleti e i Montecchi
Vincenzo Bellini (1801-1835)
Duur
2 uur en 40 minuten, inclusief een pauze
Deze opera wordt gezongen in het Italiaans. De voorstelling wordt boventiteld in het Nederlands (gebaseerd op de vertaling van Yond Boeke en Patty Krone) en het Engels (vertaald door Michael Blass).
Lyrische tragedie in twee bedrijven
Libretto
Felice Romani
Wereldpremière
11 maart 1830
Teatro La Fenice, Venetië
Muzikale leiding
Antonino Fogliani
Regie
Tatjana Gürbaca
Associate regie
Meisje Barbara Hummel
Decor
Henrik Ahr
Kostuums
Silke Willrett
Licht
Stefan Bolliger
Dramaturgie
Nikolaus Stenitzer
Jasmijn van Wijnen
Gevechtschoreografie
Ran Arthur Braun
Romeo
Vasilisa Berzhanskaya
Giulietta
Yaritza Véliz
Capellio
Jerzy Butryn
Tebaldo
Julien Dran
Lorenzo
Bogdan Talos
Nederlands Philharmonisch
Koor van De Nationale Opera
Instudering
Ad Broeksteeg
Coproductie met Wiener Staatsoper
Productieteam
Assistent-dirigent
Aldert Vermeulen
Assistent-regisseur
Lisa Padouvas
Masha Zhukova
Avondregisseur
Meisje Barbara Hummel
Assistent-decorontwerper
Django Walon
Assistent-kostuumontwerper
Idan Yoav
Intimiteitscoördinator
Zarah Bracht
Assistent-gevechtschoreograaf
Maarten van Grootel
Repetitoren
Ernst Munneke
Alessandro Stefanelli
Taalcoach
Rita de Letteriis
Taalcoach Koor
Valentina di Taranto
Voorstellingsleiders
Marie-José Litjens
Pieter Heebink
Emma Eberlijn
Sem Oosterhof
Kostuumsupervisor
Lars Willhausen
Eerste toneelmeester
Jop van den Berg
Eerste belichter
Cor van den Brink
Eerste rekwisiteur
Peter Paul Oort
Hoofd kleders
Jenny Henger
Eerste grimeurs
Isabel Ahn
Stella Dörner
Geluidstechnicus
David te Marvelde
Titelregisseur
Eveline Karssen
Bediening boventiteling
Irina Trajkovska
Senior muziekbibliothecaris
Rudolf Weges
Orkestinspecteur
Pauline Bruijn
Artistiek planner
Emma Becker
Productievoorbereider
Sieger Kotterer
Productieleiders
Maaike Ophuijsen
Nikki Boerhof (stagiair)
Figuratie
Vittorio Bonanno
Andrea James Child
Maarten van Grootel
Rowan Kievits
Taco Mansens
Andreea Petrut
Yael le Roy
Alexey Shkolnik
Anton van der Sluis
Kinderen
Ibeyi Matos Perez
Ava Mae Szomoru
Kinderbegeleiding
Anja ten Klooster
Nederlands Philharmonisch
Eerste viool
Vadim Tsibulevsky
Koen Stapert
Valentina Bernardone
Henrik Svahnström
Marina Malkin
Paul Reijn
Anuschka Franken
Iina Laasio
Mascha van Sloten
Sandra Karres
Derk Lottman
Leonoor van de Merwe
Tweede viool
Mintje van Lier
Arthur Ornée
Arnieke Ehrlich
Jeanine van Amsterdam
Joanna Trzcionkowska
Eva de Vries
Inês Costa Pais
Wiesje Nuiver
Romina Engel
Kilian van Rooij
Karina Korevaar
Altviool
Alice Sinacori
Suzanne Dijkstra
Christina Schoonakker
Avi Malkin
Wouter Huizinga
Anna Meenderink
Ingerid Waleson
Stefano Sancassan
Cello
Bruno Tobon
Douw Fonda
Anjali Tanna
Atie Aarts
Liesbeth Bosboom
Carin Nelson
Contrabas
João Seara
Gabriel Abad Varela
Mario Torres Valdivieso
Sorin Orcinschi
Julien Beijer
Fluit
Hanspeter Spannring
Fluit en piccolo
Ellen Vergunst
Hobo
Jeroen Soors
Jonas Schoups
Klarinet
Annemiek de Bruin
Tom Wolfs
Fagot
Remko Edelaar
Dymphna van Dooremaal
Hoorn
Peter Hoeben
Stef Jongbloed
Miek Laforce
Fred Molenaar
Trompet
Ad Welleman
Jeroen Botma
Trombone
Bram Peeters
Wilco Kamminga
Mario Machado
Pauken
Theun van Nieuwburg
Slagwerk
Diego Jaen Garcia
Matthijs van Driel
Nando Russo
Gema Vega
Harp
Sandrine Chatron
Orgel
Ernst Munneke
Koor van De Nationale Opera
Sopranen
Lisette Bolle
Jeanneke van Buul
Caroline Cartens
Melanie Greve
Oleksandra Lenyshyn
Simone van Lieshout
Tomoko Makuuchi
Vesna Miletic
Sara Pegoraro
Jannelieke Schmidt
Imara Thomas
Alten
Rosalie Ardts
Elsa Barthas
Anneleen Bijnen
Rut Codina Palacio
Johanna Dur
Yvonne Kok
Itzel Medecigo
Sophia Patsi
Marieke Reuten
Klarijn Verkaart
Ruth Willemse
Tenoren
Gabriele Bonfanti
Thomas de Bruijn
Wim-Jan van Deuveren
Frank Engel
Ruud Fiselier
Dimo Georgiev
Stefan Kennedy
Roy Mahendratha
Tigran Matinyan
Sullivan Noulard
Simion Novac
Mitch Raemaekers
Mirco Schmidt
François Soons
Jeroen de Vaal
Bassen
Ronald Aijtink
Emmanuel Franco
Julian Hartman
Agris Hartmanis
Sander Heutinck
Geert van der Kaaij
Dominic Kraemer
Maksym Nazarenko
Christiaan Peters
Jaap Sletterink
Berend Stumphius
Harry Teeuwen
Jouke Wijmenga
In het kort
Over een bloedige vete, een verstikkende maffiastructuur, de schaduw van het verleden en Bellini’s virtuoze belcanto.
In het kort
Capuleti en Montecchi – Ghibellijnen en Welfen
In I Capuleti e i Montecchi vertellen componist Vincenzo Bellini en librettist Felice Romani hun eigen versie van het Romeo-en-Julia-verhaal. Zoals de titel van de opera suggereert, leggen zij de nadruk sterk op de gewelddadige vete tussen de Capuleti en de Montecchi (de Capulets en de Montagues). De Capuleti en Montecchi staan in de opera tegenover elkaar als Ghibellijnen en Welfen – twee ideologisch rivaliserende facties in middeleeuws Italië. De opera benadrukt het politieke conflict dat ten grondslag ligt aan de tragedie. Romani baseerde zich voor zijn libretto niet op Shakespeare, maar op oudere, Italiaanse bronnen.
Het oog van de orkaan
Tatjana Gürbaca benadrukt in haar regie de spiraal van geweld, eer en schuld waarin de twee clans – de Capuleti en de Montecchi – vastzitten. Na het overlijden van zijn zoon ziet de maffiose clanleider Capellio in Tebaldo zijn enige mogelijke opvolger. Hij bereidt hem voor op het leiden van de clan én het huwelijk met zijn dochter. Giulietta is als het stille oog van de orkaan, het meest rationele personage in de opera, dat in tegenstelling tot de roekeloos romantische Romeo helemaal geen mogelijkheid ziet voor liefde in tijden van oorlog. Er is te veel gebeurd: na onder meer het overlijden van haar broer, die door Romeo gedood is, ziet zij geen toekomst meer voor de liefdesrelatie. Bovendien zit zij gevangen in de strikte hiërarchische structuur van de maffiafamilie.
Sporen van het verleden
In Tatjana Gürbaca’s regie ligt de liefde tussen Romeo en Giulietta in het verleden, net als de fatale confrontatie tussen Romeo en Giulietta’s broer, die de vete tussen de Capuleti en Montecchi na een jarenlange wapenstilstand weer heeft doen oplaaien. Middels flashbacks worden we meegenomen in de voorgeschiedenis van de personages en zien we hoe het verleden het heden onvermijdelijk beïnvloedt, terwijl het door iedereen op een andere manier wordt herinnerd. De personages leven op de ruïnes van wat ooit was, en de geesten uit het verleden zijn er levendiger dan de mensen in het heden.
Bellini’s belcanto
Vincenzo Bellini was genoodzaakt zijn opera in minder dan twee maanden te schrijven. Een deel van de muziek is daarom afkomstig uit zijn eerdere opera’s Zaira en Adelson e Salvini. Dat is niet uitzonderlijk: in Bellini’s tijd was het heel normaal om muziek uit opera’s die niet waren aangeslagen te hergebruiken. I Capuleti e i Montecchi wordt gerekend tot het Italiaanse belcanto (letterlijke vertaling: ‘mooi zingen’). Belcanto-opera’s kenmerken zich door een grote virtuositeit en vloeiende, lyrische zang in lange lijnen. Bellini’s opera’s blinken in het bijzonder uit in hun melodieën, die een van de belangrijkste bouwstenen van het drama vormen.
Het verhaal
In het verleden werd Verona verscheurd door een eeuwenoude vete tussen de Capuleti en de Montecchi. De vijandschap tussen de families speelde in het dagelijks leven geen grote rol meer, totdat Romeo Montecchi de broer van Giulietta Capuleti in een vechtpartij om het leven bracht en de rivaliteit opnieuw oplaaide.
Het verhaal
In het verleden werd Verona verscheurd door een eeuwenoude vete tussen de Capuleti en de Montecchi. De vijandschap tussen de families speelde in het dagelijks leven geen grote rol meer, totdat Romeo Montecchi de broer van Giulietta Capuleti in een vechtpartij om het leven bracht en de rivaliteit opnieuw oplaaide.
Eerste bedrijf
Capellio roept de Capuleti bijeen om hen te waarschuwen voor een aanstaande aanval door de Montecchi, onder leiding van Romeo. Capellio’s beoogde opvolger en wreker Tebaldo zal de volgende dag met Giulietta trouwen. Een boodschapper van de Montecchi arriveert (Romeo zelf, in vermomming) en stelt een huwelijk tussen Giulietta en Romeo voor om vrede tussen de families te sluiten. Wanneer zijn aanbod wordt afgewezen, kondigt de vermomde Romeo nieuw bloedvergieten aan.
In Capellio’s paleis ontmoet Romeo met hulp van Lorenzo (de raadgever van de Capuleti) Giulietta in het geheim. Hij spoort haar aan met hem te vluchten, maar zij kan haar familie niet verlaten.
Terwijl de Capuleti het huwelijk van Giulietta met Tebaldo voorbereiden, vallen de Montecchi aan. In het tumult ontmoeten Giulietta en Romeo elkaar opnieuw, maar ze worden ontdekt door Capellio en Tebaldo, die in Romeo de vijand herkennen.
Tweede bedrijf
Lorenzo biedt Giulietta een middel aan dat haar dood zal doen lijken, en belooft dat Romeo bij haar zal zijn wanneer ze ontwaakt.
Romeo en Tebaldo komen in een felle confrontatie terecht. Net voor ze met elkaar op de vuist gaan, horen zij het gezang van een rouwstoet en trekken zich terug, ervan overtuigd dat Giulietta dood is.
Romeo bezoekt het lichaam van Giulietta, en doodt zichzelf. Terwijl hij zijn laatste adem uitblaast, ontwaakt Giulietta. Wanneer ze doorheeft wat de situatie is, stort ze in. De Capuleti en Montecchi treffen de twee aan en wijzen Capellio aan als verantwoordelijke voor de gruwelijke afloop.
Tijdlijn
Van Ezzelino III da Romano’s machtsgreep in 1226 tot Bellini’s nalatenschap na zijn overlijden in 1835.
Tijdlijn
1226
Ezzelino III da Romano, Ghibellijns militair leider met goede contacten met de machtige familie Montecchi, wordt voor het eerst podestà (de hoogste rechterlijke en militaire magistraat) van Verona.
1530
Luigi da Porto’s novelle Historia novellamente ritrovata di due nobili amanti wordt anoniem en postuum in Venetië gepubliceerd. Het verhaal, dat zich in Verona afspeelt en voor het eerst de namen Romeo en Giulietta gebruikt, zal een belangrijke bron worden voor Bellini’s librettist Felice Romani.
1801
Vincenzo Bellini wordt geboren in Catania, Sicilië. Zowel zijn grootvader als zijn vader is componist. Op jonge leeftijd leert hij piano spelen en componeren.
1819–1822
Bellini vertrekt met een studiebeurs naar Napels om aan het conservatorium te studeren, eerst bij Giovanni Furno, later bij conservatoriumdirecteur Niccolò Zingarelli.
1825
Bellini’s afstudeerwerk Adelson e Salvini wordt opgevoerd in het conservatoriumtheater. Het impresariaat van het Teatro San Carlo in Napels geeft hem de opdracht tot het componeren van een volgende opera, Bianca e Gernando.
1825
Nicola Vaccai’s opera Giulietta e Romeo gaat in première in Milaan. Het libretto is geschreven door Felice Romani, die het vijf jaar later als basis zal gebruiken voor zijn libretto van Bellini’s I Capuleti e i Montecchi.
1827
Bellini schrijft zijn derde opera, Il pirata, voor La Scala in Milaan. Het werk wordt een groot publiekssucces en trekt ook internationaal de aandacht. Na Il pirata zouden nog vele samenwerkingen volgen met de librettist van de opera, Felice Romani.
1827–1833
Bellini woont overwegend in Milaan, waar hij zijn intrede in de hogere sociale kringen van de stad maakt. Bellini weet hogere prijzen voor zijn werken te vragen dan gebruikelijk. Zijn output ligt daarentegen relatief laag: Donizetti, Rossini en later de jonge Verdi componeerden drie tot vier opera’s per jaar, terwijl Bellini op één per jaar uitkwam.
1829
La straniera gaat in La Scala in première en het succes van deze tweede grote mijlpaal in Bellini’s carrière overtreft dat van Il pirata, al wordt er ook kritiek geuit op de stilistische vernieuwingen van Bellini. In mei opent het nieuwe Teatro Ducale in Parma met Bellini’s Zaira, dat echter uitloopt op een grote mislukking.
1830
Bellini boekt opnieuw groot succes met zijn I Capuleti e i Montecchi in het Teatro Fenice in Venetië, dat hij in een maand en tien dagen moest realiseren en waarvoor hij bijna de helft van zijn geflopte opera Zaira hergebruikte. In de herfst begint hij aan Ernani, op een libretto van Romani naar Victor Hugo’s toneelstuk, maar vanwege problemen met de censuur wordt het project gestaakt.
1831
Op 6 maart gaat La sonnambula in wereldpremière in het Teatro Carcano in Milaan. De opera wordt lovend ontvangen. Later dat jaar, op 26 december, gaat Norma in het Teatro alla Scala in Milaan in wereldpremière. Bellini omschrijft de première in een van zijn brieven als een “fiasco, fiasco, een ernstig fiasco”. De opera groeide echter uit tot een van de grootste successen uit Bellini’s carrière.
1833
Zijn nieuwste opera voor Venetië, Beatrice di Tenda, vindt weinig weerklank, hoewel Bellini vindt dat Beatrice “niet onderdoet voor haar zussen”.
1834–1835
Na “een jaar van echte, degelijke rust”, stort Bellini zich op een nieuw werk: I puritani, op een libretto van de Italiaanse graaf Carlo Pepoli. In januari 1835 gaat de opera in wereldpremière in het Théâtre Italien te Parijs.
1835
Bellini vestigt zich in Parijs, maar wordt ziek. Op 23 september overlijdt hij alleen in een plattelandswoning in de Parijse voorstad Puteaux, afgezonderd vanwege een vermoede cholerabesmetting. Hij wordt op de begraafplaats Père Lachaise begraven, waarna in 1876 zijn overblijfselen worden overgebracht naar de kathedraal in zijn geboortestad Catania.
“De ineenstorting heeft al plaatsgevonden”
Het verhaal van Romeo en Giulietta uit I Capuleti e i Montecchi is vooral bekend door Shakespeares tragedie uit 1597, maar het is veel ouder; Bellini en librettist Felice Romani baseerden zich op geheel andere, deels oudere bronnen.
In gesprek met regisseur Tatjana Gürbaca
Het verhaal van de twee hoofdpersonen uit I Capuleti e i Montecchi, Romeo en Giulietta, is vooral bekend geworden door William Shakespeares tragedie uit 1597. In werkelijkheid is het verhaal veel ouder, en Vincenzo Bellini en zijn librettist Felice Romani gebruikten niet Shakespeare als basis voor hun opera, maar heel andere, deels ook oudere bronnen. Het resultaat is een ander verhaal met andere vraagstukken dan we van Shakespeare kennen. Dramaturg Nikolaus Stenitzer ging in gesprek met regisseur Tatjana Gürbaca over haar interpretatie van het werk.
Hoe zou je de uitgangssituatie beschrijven waarin we Romeo en Giulietta aan het begin van het stuk aantreffen?
“De wereld die Bellini in zijn opera schetst is een gewelddadige. Men is in een ondoorbreekbare spiraal van geweld beland, en de gewelddadige patronen van de oudere generatie domineren en verwoesten het leven van de jongere generatie. Hoe langer ik aan het stuk werk en erover nadenk, hoe meer ik moet denken aan Wagners Der Ring des Nibelungen: er is een pact gesloten waaruit men niet meer kan ontsnappen, en er lijkt geen plaats meer voor liefde. Je komt naar deze opera met de verwachting een groots liefdesverhaal te gaan zien, maar in plaats daarvan heb je het gevoel dat de ineenstorting voor alle personages al heeft plaatsgevonden. Ze leven op de ruïnes van wat ooit was.”
Geweld als centraal thema: dat brengt ons bij de context waarin je je enscenering hebt gesitueerd. In lijn met deze gedachte heb je de Capuleti en de Montecchi neergezet als twee criminele organisaties.
“Wat ze historisch gezien ook waren. De Welfen en de Ghibellijnen waren van de 13de tot de 15de eeuw facties die onder meer door piraterij enorme fortuinen hadden vergaard. De Welfen en de Ghibellijnen kennen we ook uit Verdi’s opera Simon Boccanegra. In deze periode van de geschiedenis moest het samenleven opnieuw worden gedefinieerd. Wat mij ook interesseerde aan I Capuleti e i Montecchi, is dat politiek en privéleven zo met elkaar verweven zijn, in de zin van de vraag: wat doet het grote geheel met ieder van ons? En omgekeerd?”
Uit het libretto kunnen we opmaken dat Romeo Giulietta’s broer heeft vermoord, waardoor hij in ballingschap moest gaan. Zelf zegt hij dat de moord “in battaglia” (“in de strijd”) is gepleegd, maar jouw interpretatie suggereert dat Romeo en Giulietta een gezamenlijke schuld dragen die met deze gebeurtenis samenhangt.
“Ik heb de familierelaties van dichtbij bekeken. Ik zie Capellio als het hoofd van een clan die zich bezighoudt met niet per se legale zaken. Lorenzo staat al sinds jaar en dag aan zijn zijde als raadgever — als een consigliere, zoals we die kennen uit de Godfather-boeken en -films. En ik stel me voor dat de jonge Giulietta een levendig meisje was, afkomstig uit een welgesteld milieu, dat in haar jeugd haar grenzen verkend heeft met feestjes en liefdesaffaires. Romeo en Tebaldo maakten naar mijn idee ook deel uit van die wereld. In die losse kring van jongeren speelde het geen grote rol tot welke familie iemand behoorde — tot op een dag een ruzie tussen Romeo en Giulietta’s broer uit de hand liep. Daarna voelt iedereen zich schuldig: Romeo, Giulietta, ook Tebaldo. Niemand kan het verleden nog ongedaan maken.”
Met deze beschrijving volg je een lijn die we al terugvinden in Luigi da Porto’s versie van het verhaal van Romeo en Julia, zijn Historia novellamente ritrovata di due nobili amanti uit 1530. Aan het begin van dat verhaal is er sprake van een versoepeling van de strenge structuur en speelt de vijandschap tussen de families in het dagelijks leven geen grote rol meer, maar door de gebeurtenissen die zich vervolgens voordoen, laait de eeuwenoude vijandschap tussen de families opnieuw op.
“In deze kleine wereld zijn de families van elkaar afhankelijk en zou iedereen belang moeten hebben bij vrede. Maar met de dood van zijn zoon, die bovendien de ‘troonopvolger’ binnen de clan was, is voor Capellio een grens overschreden. Conflicten worden aangewakkerd door persoonlijke gekwetstheid en het egoïsme van een oudere generatie – met noodlottige gevolgen. Juist daarom vind ik dit werk vandaag de dag zo actueel. We zien wereldwijd conflicten die vaak worden gedreven door oude mannen die, zonder rekening te houden met de gevolgen, hun landen in uitzichtloze crises storten – crises die hele generaties zullen tekenen. Wat we nodig hebben, zijn politici die in de toekomst investeren en kansen scheppen voor de jongere generatie, in plaats van enkel hun eigen macht of winst veilig te stellen.”
Wanneer we het over Capellio en zijn egoïsme hebben, valt meteen ook iets anders op aan de familiesituatie: er is in dit werk geen moederfiguur aanwezig.
“Capellio is een tragische figuur. Hij is de patriarch die alles uit zijn handen ziet glippen: het bedrijf, de opvoeding van zijn kinderen. Het gezin, het middelpunt van zijn leven, bestaat niet meer. Het verleden is een plek waar je niet meer naar terug kunt. Hij is een radertje in een machine die zichzelf kapot draait. Alles bevindt zich in een vrije val. Terwijl hij probeert zich aan oude principes vast te klampen, wordt het handelen van zijn rechterhand Lorenzo juist gekenmerkt door kortzichtige acties. Beide mannen raken steeds dieper verstrikt in gebeurtenissen die hen uiteindelijk overweldigen. En ook de laatste kans op vergeving wordt gemist. Het stuk beschrijft op psychologisch vlak ongelooflijk goed en nauwkeurig hoe alle personages door het verleden met elkaar verbonden zijn en zichzelf voor de gek houden. Bellini tekent hier personages met een grote psychologische waarheid: we bestaan immers niet alleen uit wat we doen, maar ook uit onze fantasieën, herinneringen en soms valse zelfbeelden.”
Romeo lijkt soms in een koortsdroom te verkeren, ver verwijderd van een realistische confrontatie met zijn eigen leven. Is dat een sfeer die je voor je enscenering in gedachten had?
“Absoluut. Maar het koortsachtige geldt voor alle personages. Ik heb het gevoel dat alles zich afspeelt in een stagnatie, waarin de geesten uit het verleden levendiger zijn dan de mensen in het heden. Net als in Hamlet. De ramp heeft al plaatsgevonden, de personages zijn verstrikt geraakt in schuldgevoelens en kunnen elkaar niet meer ontlopen. Ze zitten hun tijd met elkaar uit en keren steeds weer terug naar het punt in het verleden waar het mis is gegaan. De toekomst ontsnapt aan hun verbeeldingskracht. Te midden van deze verwikkelingen lijkt Tebaldo met zijn gevoeligheid een positief tegenwicht: hij is bereid om te voelen, vragen te stellen en zich misschien zelfs andere wegen voor te stellen, zonder zijn eigen menselijkheid te verliezen.”
Giulietta blikt zonder sentiment terug op het verleden. Hoe ervaar je dit enige vrouwelijke personage in het werk?
“Giulietta is heel duidelijk. Zij is degene die met open ogen en een heldere geest door het stuk gaat en ook heel duidelijk ziet hoe klein de kansen op een gezamenlijke toekomst met Romeo zijn. Liefde is een genot dat ze zich niet meer kan veroorloven. Giulietta heeft van alle personages de meeste realiteitszin, en haar ongelooflijke nuchterheid stelt Romeo teleur en beangstigt hem. Zij bevindt zich in het oog van de storm: om haar heen woedt voortdurend oorlog, en telkens als we haar tegenkomen, is het heel stil. Zij is op zichzelf teruggeworpen en moet van haar eigen gedachten en herinneringen leven – van dat grote innerlijke gesprek. Ook dit doet aan Wagner denken: zij is als een Norn, voortdurend de draad spinnend. Ze lijkt verstrengeld in de cocon van wat was en wat is. Maar wat zal komen, ontsnapt aan haar blik. Alleen de dood lijkt onvermijdelijk.”
Dat betekent ook dat zij de drager van de herinneringen in het verhaal is.
“Ja. Aan het begin van de tweede akte dwaalt zij bijvoorbeeld helemaal alleen door het paleis, alsof zij de allerlaatste mens op aarde is. De strijd is voorbij, en ze vraagt zich af of iemand het overleefd heeft. Opnieuw is zij degene die de herinnering bewaart, maar op een heel bijzondere manier. Het leven voltrekt zich hier als een reeks vervellingen: ooit was ik deze persoon, toen gebeurde er iets, ik veranderde volledig, en nu herken ik mezelf niet meer. Hoe ben ik op dit punt gekomen? Het werk weet een indruk te geven van wat het menselijk leven eigenlijk is: met hoeveel moeite het wordt gevormd, en welke belangrijke rol tijd speelt — dat alles verandert, soms bijna onmerkbaar, totdat je jezelf plotseling op een plek terugvindt waar je nooit had gedacht te zijn.”
Tekst: Nikolaus Stenitzer
Vertaling: Jasmijn van Wijnen
Giulietta Capuleti en de Naam van de Vader
Tolstojs beroemde openingszin uit Anna Karenina suggereert dat geluk en ongeluk bijna meetbare grootheden zijn die zich binnen het vaste kader van de familie ontvouwen. Die combinatie van schijnbare wetmatigheid en menselijke kwetsbaarheid maakt de zin zo intrigerend en blijvend relevant.
Machtsstructuren binnen de maffiafamilie
“Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is op zijn eigen manier ongelukkig.” De beroemde eerste zin van Leo Tolstojs Anna Karenina (1873–1878) fascineert omdat hij klinkt als een logische wetmatigheid: geluk en ongeluk lijken objectieve, bijna meetbare grootheden. Daarbij veronderstelt Tolstoj een bepaald kader waarbinnen dat geluk of ongeluk zich voltrekt – namelijk dat van de familie.
Vooral in westerse samenlevingen lijkt het volkomen duidelijk wat er bedoeld wordt wanneer men over een familie spreekt, ook al heeft het begrip in de geschiedenis vele transformaties ondergaan. Toch loont het de moeite om dit gegeven nader te bekijken, zeker wanneer het gaat over de invloed van de familie op het schijnbaar onvermijdelijke ongeluk van mensen – zoals dat van Giulietta Capuleti.
In Vincenzo Bellini’s I Capuleti e i Montecchi vallen meteen de gaten in de familieverbanden op. Giulietta heeft geen moeder, en Romeo heeft helemaal geen ouders meer. Uiteindelijk is het de familie die Giulietta ten gronde richt. Een familie is meer dan een verzameling mensen: het is een structuur, een systeem, een stukje samenleving in het klein. Dat is het al sinds het begin van wat wij ‘beschaving’ noemen.
Twee huizen
Het woord ‘familie’ komt in Felice Romani’s libretto van I Capuleti e i Montecchi maar één keer voor. Toch geeft de personagelijst een belangrijk aanknopingspunt: Capellio wordt daarin voorgesteld als “Principale dei Capuleti e Padre di Giulietta”. In die beschrijving schuilt de dubbele rol die een vaderfiguur in veel westerse samenlevingen al eeuwenlang heeft: vader van kinderen én leider van een groep mensen – het hoofd van een huis.
Bellini en zijn librettist Felice Romani kozen ervoor om in hun I Capuleti e i Montecchi het politieke conflict tussen de Ghibellijnen en de Welfen sterker te benadrukken dan in andere bewerkingen van het Romeo-en-Julia-verhaal. Daardoor wordt Capellio naast vader ook leider van een politieke partij in een van de belangrijkste conflicten van het dertiende-eeuwse Italië. Het is precies de combinatie van die twee rollen die doorslaggevend is voor de tragische afloop van het verhaal en het ongeluk van beide betrokken families.
Shakespeare vertelde hetzelfde verhaal heel anders in zijn Romeo and Juliet (1597). In een taal die overloopt van poëzie en woordspel maakt Shakespeare duidelijk hoe jong en gelukkig de twee zijn, wat hun ondergang des te tragischer maakt. Romani toont ons daarentegen twee mensen die al gebroken zijn: Romeo, teruggekeerd uit ballingschap met een roekeloos plan, en Giulietta, die het leven moe is geworden.
Shakespeare gebruikt, net als Romani, nooit het woord ‘familie’. In zijn beroemde proloog schrijft hij:
Two households, both alike in dignity,
In fair Verona, where we lay our scene,
From ancient grudge break to new mutiny,
Where civil blood makes civil hands unclean.
Twee huizen dus — en ook verder in het stuk wordt steeds over huizen gesproken wanneer men de families bedoelt. Het is een consequente woordkeuze die een begrip van familie beschrijft dat in de tijd van Shakespeare en in de dertiende eeuw waarin het verhaal zich afspeelt zowel een plaats als een machtssysteem betekende. Dit idee van familie bestaat al zo’n 2400 jaar en is nog altijd pijnlijk relevant – voor Bellini’s tijd én de onze.
Slaven en kinderen
In zijn Politeia (De staat, ca. 375 v.Chr.) stelt Plato dat het ontstaan van ‘de staat’ voortkomt uit de natuurlijke behoefte van de mens om samenlevingen te vormen, omdat niemand alleen kan bestaan. Zijn leerling Aristoteles corrigeert dit gegeven in zijn Politika (ca. 334 v.Chr) door te bepleiten dat niet de behoefte aan samenleven, maar de behoefte aan voortplanting ten grondslag ligt aan het ontstaan van de staat: “Noodzakelijk moeten zich eerst diegenen met elkaar verbinden die niet zonder elkaar kunnen bestaan; dus het vrouwelijke en het mannelijke, omwille van de voortplanting.”
Dat mensen zich met elkaar verbinden, wordt daarmee verklaard; maar waarom ze bij elkaar zouden blijven, helemaal niet. In Plato’s Politeia staan samenleven, voortplanting en de zorg voor kinderen los van elkaar. Bij hem zijn er geen familiehuishoudens die op bloedbanden zijn gebaseerd, maar wél vrouwelijke krijgers en politici. Simpel gezegd: Plato schetst wat mogelijk zou kunnen zijn, terwijl Aristoteles juist vertrekt vanuit wat hij in de samenleving aantreft. Voor Aristoteles is de familie een noodzakelijke eenheid; in Plato’s utopische staat bestaat de familie, zoals we die vandaag de dag kennen, helemaal niet.
Volgens Aristoteles is het gezin de eerste, natuurlijke gemeenschap: een man, zijn vrouw en zijn slaven. Kinderen komen daar later bij. Het woord ‘familia’ is in de oudheid nog de aanduiding voor het huispersoneel (het Latijnse famulus betekent ‘slaaf’). Centraal staat het huis, met de man aan het hoofd. Daarmee werd in 334 v.Chr. al veel vastgelegd van wat tot op de dag van vandaag het ongeluk van talloze families en samenlevingen bepaalt.
Uit de natuurlijke noodzaak tot samenleven leidt Aristoteles namelijk niet alleen gemeenschap af, maar ook de heerschappij van de vermeend sterkere over de zogenaamd zwakkere: de man over de vrouw, de heer over de slaaf. En hier ontstaat ook de opvatting van de familie als een bedrijf. Het huis wordt allereerst gedefinieerd als de totaliteit van degenen die door de man beheerst worden. Zo ontstaat een noodlottige patriarchale verbinding van huis en verwantschap die ons terugbrengt naar Verona, waar Giulietta Capuleti geen uitweg vindt.
Un sol dritto al genitor
In het duet van de eerste akte van I Capuleti e i Montecchi ontmoeten Romeo en Giulietta elkaar voor het eerst in de opera, en voor het eerst sinds lange tijd in het verhaal. De ontmoeting verloopt niet goed: Romeo kan niet begrijpen dat Giulietta niets moet weten van zijn vluchtplan. Welke macht, wil hij van haar weten, kan haar dan toch “tussen deze muren” houden? Welke macht zou sterker kunnen zijn dan de liefde? Die van de plicht, antwoordt Giulietta. Vervolgens stijgt ze in een coloratuur naar het belangrijkste woord: “L’onore!” (de eer).
Hier voeren de twee de klassieke strijd tussen dovere (plicht) en amore (liefde). Dit spanningsveld typeert de klassieke traditie die Romani tijdens zijn hele schrijverschap bleef verdedigen. Uiteindelijk smeekt de koppige Giulietta: “Almen concedi un sol dritto al genitor!” (“Gun mijn vader toch op zijn minst één enkel recht.”)
Door juist het woord ‘genitor’ te gebruiken, geeft Romani Bellini niet alleen de drie lettergrepen die hij nodig heeft voor de muzikale structuur van zijn compositie, maar legt hij Giulietta ook een woord in de mond dat ondubbelzinnig naar de bloedband verwijst. Genitor (van het Latijnse gignere – voortbrengen) betekent naast “vader” of “ouder”, vooral “verwekker” en “schepper”. Giulietta smeekt dat Romeo, nadat zij allang besloten heeft hem haar hart te schenken en voor hem te sterven, haar (biologische) vader op zijn minst één recht zal gunnen. Bij nadere beschouwing is dit geen verzoek, maar een mededeling. Giulietta zal niet tegen plicht, eer en wet ingaan, ze zal liever sterven. Want daar, in de dood, bevindt zich de enige plek buiten de wet – wat we in plaats van ‘un sol dritto’ misschien beter ‘il sol dritto’ zouden kunnen noemen: de enige wet.
Het recht waar Giulietta hier over spreekt – het recht dat Capellio op haar heeft – komt overeen met wat de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan de symbolische orde noemt. Dit principe, of ‘wet’, zoals Lacan het ook noemt, beschrijft de werking van de patriarchale samenleving. Zoals de taal, die voor Lacan als structuralist de basis vormt van zijn denken over cultuur en maatschappij, berust de symbolische orde op afspraken: het systeem blijft bestaan doordat iedereen zich aan de regels houdt. De instantie die daarvoor zorgt, noemt Lacan de ‘Naam van de Vader’. Die ‘Naam van de Vader’ is als het ware de oprichtingsakte van de symbolische orde: hij vormt de grondslag van de afspraak en garandeert de wet. En juist die roept Giulietta op wanneer ze “un sol dritto al genitor” zegt.
De oorsprong van deze symbolische orde vinden we in Aristoteles’ huishouden: het gezin als een geheel van verwanten en ondergeschikten, dat zonder tegenspraak gehoorzaamt aan degene die op grond van de wet aan het hoofd staat. Het lijkt een fragiel systeem, dat enkel berust op het geloof van de betrokkenen. Toch heeft het zich door de eeuwen heen opmerkelijk goed staande gehouden.
Capellio – pater familias
Capellio, de principale van de Capuleti, belichaamt precies deze wet: als vader, wiens regels Giulietta moet gehoorzamen; en als pater familias, wiens ondergeschikten geloven in zijn autoriteit, zijn superioriteit, zijn macht. Niet voor niets noemen maffiaorganisaties hun groepen ‘families’. Dit verwijst geenszins naar bloedverwantschap, maar naar een interne hiërarchische structuur en de gehoorzaamheid daaraan.
Plicht, wet en eer
Wanneer Giulietta zich tegenover Romeo beroept op plicht, wet en eer, om uit te leggen waarom ze haar huis en haar vader niet kan verlaten, gebruikt ze woorden die sinds de negentiende eeuw letterlijk terugkeren in verslagen over maffiaorganisaties. Een vroeg voorbeeld zijn de memoires van Sigismondo Castromediano, een van de eerste kroniekschrijvers van de Napolitaanse Camorra, die in 1888 de ‘eer’ beschreef als de grondslag van de beslissingen van de Camorra-rechters – in tegenstelling tot rechtvaardigheid. Inhoudelijk betekent deze eer niets anders dan onvoorwaardelijke loyaliteit aan de organisatie.
Giulietta Capuleti zou zich dus op twee manieren tegen de wet van de vader moeten verzetten: als dochter én als lid van de clan. Haar mislukking is vrijwel onvermijdelijk. Wanneer ze aan het einde van de eerste akte wanhopig en boos uitroept: “Maar waarheen? Hoe?”, als reactie op Romeo’s dringende oproep om met hem mee te gaan, moeten we dat letterlijk nemen. Als er voor Giulietta al een plek is om naartoe te vluchten, dan ligt die buiten de samenleving – en dus buiten de wereld.
Tekst: Nikolaus Stenitzer
Vertaling: Jasmijn van Wijnen
“Bellini gebruikt melodie om het drama op te bouwen”
Bellini componeerde I Capuleti e i Montecchi in minder dan twee maanden en hergebruikte daarbij muziek uit eerdere opera’s, die hij naadloos wist in te passen. Het resultaat werd een groot succes en verstevigde zijn positie als een van Italië’s belangrijkste operacomponisten.
In gesprek met dirigent Antonino Fogliani
Vincenzo Bellini componeerde zijn lyrische tragedie I Capuleti e i Montecchi voor het Teatro La Fenice in Venetië in minder dan twee maanden tijd. Door deze tijdsdruk moest hij muziek uit eerdere werken hergebruiken, maar hij wist dit muzikale materiaal naadloos in zijn nieuwe opera te integreren. Die werd een enorm succes en versterkte Bellini’s positie als een van de meest vooraanstaande operacomponisten van Italië.
Capuleti e i Montecchi is een uitstekend voorbeeld van wat we doorgaans de belcantoperiode in de Italiaanse opera noemen. Belcanto vereiste zowel vloeiende, lyrische zang in lange lijnen als virtuositeit. “Het is natuurlijk een stijl van zingen en musiceren, maar belcanto gaat ook verder dan dat,” aldus belcanto-specialist Antonino Fogliani. “Als we beginnen bij Rossini, is het heel duidelijk dat muziek voor hem niet de imitatie van de werkelijkheid is. Muziek is een ideaal. Muziek moet niet iets uit de natuurlijke wereld herhalen, maar iets nieuws creëren. Tot aan de vroege Verdi heerst het idee dat de emoties in de muziek, de geest in de melodie, het drama meer bepalen dan de tekst. In belcanto gebruiken we daarom speciale technieken, versieringen en variaties om te beschrijven wat er in de personages omgaat. In de grote ‘freeze frame’-momenten in deze opera’s kunnen personages tegelijkertijd verschillende individuele gevoelens uitdrukken binnen dezelfde muziek. Dat is het wonder van deze muziek, van belcanto.”
“Gerelateerd aan dat concept van het ideale zijn de personages en travesti, waarbij vrouwen de rollen van mannen zingen, zoals Romeo in deze opera. Na de achttiende eeuw waren er niet veel castraten meer over in Italië, en de rol van de jonge held werd nu vaak gezongen door mezzosopranen en alten. Misschien is dat omdat dit soort stem dichter bij de uitzonderlijke stemsoort van de castraten ligt en omdat vrouwenstemmen zo mooi mengen, maar je krijgt ook het gevoel van een spel met gender en seksualiteit. In het verhaal zit een mannelijk personage, maar je ziet een vrouw zingen, en vaak waren dat mooie vrouwen, met een vrouwelijke stem, maar de tekst is weer die van een man. Dit resulteert in een opmerkelijke ambiguïteit. Dit was een intellectuele periode die op het gebied van fantasie en smaak veel vrijer was dan de onze. Ik vind dat fascinerend.”
Perfecte dramatische match
I Capuleti e i Montecchi werd in minder dan twee maanden geschreven en een deel van de muziek is afkomstig uit Bellini’s eerdere opera’s Zaira en Adelson e Salvini. “In die tijd was het heel normaal om muziek te hergebruiken, vooral als die eerdere opera’s niet echt waren aangeslagen. Uit zijn brieven weten we dat Bellini succes wilde hebben en dat hij daar hard voor werkte. Daarom gebruikte hij het materiaal op de best mogelijke manier: er is een perfecte dramatische match tussen de muziek en de handeling en gevoelens. Als je meer tijd hebt is het makkelijker om langer na te denken over wat efficiënter of interessanter zou zijn, maar in dit geval gebruikte Bellini gewoon zijn grote talent om in de korte tijd die hij had de best mogelijke opera te componeren.”
De muzikale vormen die componisten in deze periode gebruiken, volgen vaak specifieke formules die kunnen botsen met moderne opvattingen over effectief theater. In veel producties worden standaardherhalingen in de muziek daarom weggelaten, vooral van de cabaletta, het energieke slotdeel van een muzikaal nummer. “Ik kom terug bij mijn observatie dat deze muziek geen imitatie van de natuur is. Er is een gevoel van het ideale, en het effect van de muzikale vormen is dat je in een soort cirkelbeweging terechtkomt, een speciale mentale ruimte. De herhaling maakt daar deel van uit. En je kunt deze herhaling op veel manieren dramatisch interessant maken. De zanger kan de versieringen variëren, maar in de moderne praktijk gebruikt de dirigent ook vaak een ander tempo voor de herhaling, bijvoorbeeld trager, of een dynamisch verschil. Het eerste deel is dan iets wat het personage zegt zonder na te denken, een instinctieve reactie, maar de herhaling kan dan meer reflectief worden, waardoor het standpunt verandert. Als we geen vertrouwen hebben in deze vormen, als we deze niet respecteren, maken we er iets anders van. Dat is natuurlijk mogelijk, want we zijn vrij om te doen wat we willen. Maar ik geef er de voorkeur aan deze muziek te respecteren zoals zij is geschreven.”
Melodie boven tekst
In een wereld waarin veel componisten wedijverden om opdrachten en succes, heeft Bellini altijd een speciale plaats ingenomen, vooral voor latere componisten die zijn buitengewone talent voor melodie bewonderden. “Als je Bellini vergelijkt met sommige van zijn tijdgenoten, valt op dat puur instrumentaal gezien de orkestrale partijen bij Bellini misschien minder belangrijk zijn. Zowel Rossini als Donizetti hebben de Duitse compositieschool grondig bestudeerd, en die nadruk op orkestrale compositie hoor je terug in hun opera’s.”
“Toen Rossini opkwam, was dat echt een schok voor mensen, omdat hij het orkest op zo’n virtuoze manier gebruikte. Wat het orkest betreft, zijn beide componisten dus verfijnder dan Bellini, hoewel er zeker prachtige instrumentale momenten in zijn opera’s voorkomen, zoals de sinfonia aan het begin en prachtige orkestrale inleidingen, vaak met solo-instrumenten, zoals met hoorn en met klarinet in Capuleti. Er zit ook zeer virtuoze muziek voor de strijkers in deze opera. Maar hoewel het orkest belangrijk is, staat het altijd in dienst van de zang; Bellini legt veel meer nadruk op de zang in het drama.”
“Waar Bellini’s opera’s in uitblinken, zijn de melodieën. Dat is natuurlijk wat iedereen altijd over hem zegt, maar het is meer dan alleen maar een talent voor goede deuntjes. Als je let op zijn gebruik van harmonie, zul je merken dat hij deze melodieën op een perfecte manier weet op te bouwen, hoe ze worden ondersteund door de harmonieën. Hij heeft de neiging om melodieën in mineur te beginnen, dan over te gaan naar majeur, maar weer in mineur te eindigen. Dit komt echt voort uit de neerslachtige manier van leven van de Sicilianen. Ik kan het weten, want ik ben zelf Siciliaan.”
“De grote Italiaanse filosoof Manlio Sgalambro formuleerde een theorie over Sicilië, waarin hij zegt dat de mensen daar de tragische neiging hebben om in de afgrond te willen wegzakken, omdat ze op een eiland leven dat elk moment in zee kan verdwijnen, en dat Sicilië alleen in en door de kunst zijn ware aard laat zien. Ik hoor dit ook in de muziek van Bellini, dit soort pijn, dit soort nostalgie. Geen enkele andere Italiaanse componist heeft deze melancholische kwaliteit in zijn muziek zoals hij. Om het drama op te bouwen gebruikt Bellini dus meer de melodie dan de tekst.”
Persoonlijkheid
Voor I Capuleti e i Montecchi bewerkte de dichter Felice Romani, met wie Bellini vaak samenwerkte, een eerder libretto met hetzelfde verhaal dat hij voor componist Nicola Vaccai had geschreven. “Romani beperkte het drama tot de essentie, liet sommige delen weg en hoopte waarschijnlijk dat het publiek zelf zou invullen wat er tussendoor gebeurde. Maar Bellini wist een overtuigend drama te creëren dankzij zijn geweldige muziek en melodieën. De persoonlijkheid van de zangers was in deze periode echter ook erg belangrijk. Dit brengt een ander interessant punt over Bellini’s muziek naar voren: hij was een groot componist, maar zijn muziek kan erg saai worden als een zanger er niet in slaagt om het innerlijke gevoel naar voren te brengen.”
“Toen ik jonger was, werkte ik samen met Alberto Zedda, de grote dirigent en musicoloog, en tijdens een auditie zong een sopraan Giulietta’s prachtige aria ‘Oh! Quante volte’ uit Capuleti alsof ze een van de nonnen was uit Puccini’s Suor Angelica, heel kuis. Zedda riep uit: ‘Waarom zing je het zo? Je zingt over seks, je wilt met hem vrijen!’ De zangeres moet de sensualiteit van de muziek begrijpen, ook al maakt de tekst dit niet expliciet. De muziek van Bellini heeft theater nodig. Je kunt Puccini’s La bohème heel slecht zingen, maar uiteindelijk huilt het publiek omdat de muziek de gevoelens opwekt en aanwakkert. Bij belcanto is dat anders. Je hebt zangers nodig die de kleur van hun stem kunnen veranderen, zelfs midden in korte frasen. De muziek is technisch moeilijk, maar dat betekent niet dat je het mechanisch moet zingen. Je moet niet alleen een geweldige techniek hebben, maar ook een geweldige vertolker zijn.”
Tekst: Benjamin Rous